Programma

Alain Badiou is a French philosopher, formerly chair of Philosophy at the Ecole normale superieure (ENS) and founder of the faculty of Philosophy of the Universite de Paris VIII with Gilles Deleuze, Michel Foucault and Jean-Francois Lyotard. For this lecture, he will elaborate on his conceptions of being, truth, event, the subject, and their interrelations.

After his lecture, professor Badiou will be interviewed by Dolf van der Schoot. Van der Schoot currently teaches Ethics at TU Eindhoven, and is writing his PhD-thesis at the Hochschule für Gestaltung (Karlsruhe, Germany) and the European Graduate School (Saas-Fee, Switzerland)

De zachte kant van harde feiten

Achter elk feit schuilt een verhaal. Wie wil onderzoeken hoeveel mensen in armoede leven, heeft eerst een definitie nodig van wat als armoede telt. En wie wil onderzoeken of bepaalde pillen tegen depressie helpen, moet eerst bepalen wat als ‘depressie’ telt.

Feiten en normen zijn dus niet helemaal gescheiden, zoals velen denken. Ze zijn juist innig verstrengeld met elkaar. Zelfs de beste wetenschap kan daarom ‘de’ werkelijkheid niet weerspiegelen.

Toch kunnen zachte feiten harde waarheden worden, want er wordt beleid op gebaseerd. Daarom is het verschil tussen waardevolle en waardeloze kennis belangrijk. Net als bij ons voedsel zit dat verschil in de kwaliteit van de ingrediënten waaruit de feiten zijn samengesteld.

De argumenten voorafgaand aan de feiten zijn dus belangrijker dan de getallen waarmee feiten worden uitgedrukt. Meer nog dan statistische precisie zou daarom ‘deliberatieve precisie’ het verschil moeten uitmaken tussen deugdelijke en ondeugdelijke wetenschap.

Trudy Dehue is hoogleraar wetenschapstheorie aan de Universiteit Groningen. Ze is het meest bekend van haar boeken De Depressie-epidemie. Over de plicht het lot in eigen hand te nemen (2008) en Betere Mensen. Over gezondheid als keuze en koopwaar (2014). Haar lezing zal zijn gebaseerd op het boek dat ze momenteel schrijft onder de werktitel: Van voor de geboorte tot na de dood. Over de zachte kant van harde feiten.

De spookachtigheid der dingen

Terwijl we ons radioactieve afval zo diep mogelijk wegstoppen in de hoop dat niemand er ooit nog iemand op stuit, we hard ons best doen om van het minder gevaarlijke afval weer een grondstof te maken en we het “restafval” verbranden of omvormen tot glooiende nieuwe heuvels, lijkt afval steeds terug te keren. Niet circulair, maar in unheimische lussen, zoals het microplastic, dat bezitneemt van het water, van de vissen, van onszelf.

Wat is afval eigenlijk? Afval onttrekt zich aan onze grip en verstoort onze ideeën over zijn en over aanwezigheid, zowel in ruimtelijk, temporeel als categorisch opzicht. Afval heeft iets spookachtigs. Afval ontstaat op het moment van uitbanning – het weggooien – en bestaat zodoende bij de gratie van de (verbroken) relatie. De vraag naar de ontologie van afval leidt ons zodoende voorbij de gerichtheid op essentie en presentie en in de richting van zijn-met en leven-met.

De figuur van het spook betrad het filosofische toneel in Jacques Derrida’s Spectres de Marx (1993) en heeft geleid tot een “spectrale wending”. Derrida zette het spook in om ruimte te bieden aan figuren die tegelijkertijd aanwezig en niet-aanwezig zijn en die aanleiding geven tot een ambigue ontologie en een paradoxale staat van zijn en niet-zijn – een spokologie. (Een ding) zijn, is spoken en bespookt worden.

Maar zoals dat gaat met spoken, hoe krachtiger je ze probeert uit te bannen, hoe hardnekkiger ze zich aan je opdringen. Een spokologie van het afval nodigt ons uit om af te rekenen met onze neiging tot “verhedelijking” en oog te ontwikkelen voor de spookachtigheid der dingen.   

Lisa Doeland (1982) is filosoof en programmamaker bij Radboud Reflects. Daarnaast doet ze promotieonderzoek naar de ontologie van afval. Samen met Elize de Mul en Naomi Jacobs schreef ze Onszelf voorbij. Kijken naar wat we liever niet zien (2018)

Ontologie en ethiek – politiek in de Oosterse filosofie

Oosterse filosofie heeft een soma-esthetisch uitgangspunt: in een onderzoeks- en oefenpraktijk wordt het lichaam gewaar wat ‘zijn’ inhoudt. Deze gewaarwordingen kunnen (wel/niet) worden verwoord. Het levert uitspraken op als ‘al wat is, is (n)iets’, ‘al het gevormde is leeg’ en ‘al het zijnde is in wording en met elkaar in verbindingen’. Je zou kunnen spreken van een proces- en relationeel ontologisch ‘standpunt’. Deze manier van verstaan, ‘denken door niet-denken’, heeft niet alleen een dergelijk zijnsbesef als effect maar ook een bijbehorende manier van in het leven staan. Deze levenshouding (ethos) wordt (idealiter) gekenmerkt door ‘niet(s) doen’, ‘aandacht voor de ander(e)’ en ‘geen enkel kwaad doen’. Het levert vanzelf een andere omgang op met je medemensen (naaste en vreemde) maar ook met ‘de bomen, de beken en beesten’ – ofwel: een ander ecologisch wezen. Het pad of de weg volgen leidt dan ook niet noodzakelijkerwijs tot politiek quiëtisme en oosterse filosofie is niet ‘het perfecte ideologische supplement van de kapitalistische dynamiek’ – zoals Slavoj Zizek stelt. Integendeel, als je Timothy Morton, Henk Oosterling of mij vraagt.

Jan Flameling richtte in 1994 Filosofisch Bureau Ataraxia op, en werkt sindsdien als docent, trainer en gespreksbegeleider

Wat is gender? Over sociale ontologie

Voor velen is gender vanzelfsprekend: we leven ons geslacht, zonder er veel over na te denken. Gender lijkt verder gerelateerd te zijn aan lichamelijke “tekens” die ons vertellen tot welke categorie iemand hoort. Op het moment dat iemand een kamer binnenkomt, categoriseren we onmiddellijk en delen de persoon in de categorie mannelijk of vrouwelijk in. Gender hoort dus bij de manier waarop we semi-bewust andere personen ordenen. In de medische wereld wordt gender verbonden aan de “3 G’s”: genen, chromosomen en genitalia.

In mijn lezing zal ik betogen dat er in het geval van gender sprake is van een radicale sociale ontologie. De term ‘sociale ontologie’ lijkt een contradictio in terminis. We erkennen wel verschillende manieren van kennen van dingen (epistemologieën), maar als het gaat om “zijn”, is er slechts één realiteit die enkel kan worden begrepen zoals ze is. In het geval van gender is er echter niet zo’n essentie, zonder een specifiek kader waarbinnen we dit waarnemen. In het geval van gender gebruiken we ontologische kaders die er de realiteit en materialiteit van vormen.
Gender als radicale sociale ontologie gaat verder dan een eenvoudig sociaal constructivisme. Er is namelijk geen “gegenderde” materie die wordt geconstrueerd. Evenmin impliceert het een ontkenning van het lichaam, van genen, genitaliën en chromosomen. Zonder gender ontologie, zouden we die echter niet als geslachtelijk begrijpen. Gender begrijpen als een radicale sociale ontologie, ten slotte, heeft ook iets bevrijdends: het helpt ons los te komen van de strikte dualiteit van denken in termen van mannelijk en vrouwelijk.

Annemie Halsema is universitair docent aan de faculteit Wijsbegeerte van de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam. Zij is geïnteresseerd in het thema persoonlijke identiteit, lichamelijkheid en de rol van de ander in het vormen van een identiteit

What does it mean to make existence assertions in mathematics? 
Is there a mathematical universe, perhaps an ideal mathematical reality, that the assertions are about? Is there possibly more than one such universe? Does every mathematical assertion ultimately have a definitive truth value? I shall lay out some of the back-and-forth in what is currently a vigorous debate taking place in the philosophy of set theory concerning pluralism in the set-theoretic foundations, concerning whether there is just one set-theoretic universe underlying our mathematical claims or whether there is a diversity of possible set-theoretic worlds.

Joel David Hamkins is Professor of Logic at Oxford University and the Sir Peter Strawson Fellow at University College Oxford

Onze wereld barst van de sociale objecten. Ze zijn zo prominent aanwezig dat het menselijke bestaan nauwelijks denkbaar is zonder de veranderlijke zwerm aan wetten, bedrijven, talen, rituelen, overheden, conventies en documenten waar we in leven.

Desalniettemin heeft de Westerse filosofie al sinds Plato vaak minachting voor sociale objecten gehad. Rousseau is wat dat betreft een paradigmatisch voorbeeld, gezien zijn opvatting dat de samenleving – met al haar conventies en instituties – de bron van alle kwaad en corruptie is voor een anderszins onschuldige en goedaardige mensheid.

Ook bij meer recente filosofen is deze gedachte nog springlevend: sociale objecten vervreemden ons van onszelf, van elkaar, en van de wereld. Die gedachte leidt vaak tot het idee dat we tijdelijk of permanent aan deze objecten moeten ontsnappen, richting een moment of plek waarop ongemedieerd menselijk contact mogelijk is. De voorspelling is dan meestal dat vanuit zulk authentiek contact een nieuwe, betere wereld kan ontstaan. Varianten van deze gedachte vinden we bijvoorbeeld in het denken van Hannah Arendt, John Rawls, Antonio Negri, Michael Hardt, Gilles Deleuze en Emmanuel Levinas.

Op basis van inzichten uit het speculatief realisme en met name uit de object georiënteerde ontologie betoog ik ten eerste dat dergelijke posities – ondanks hun onderlinge diversiteit – op flinke denkfouten berusten. De voornaamste is dat er überhaupt een mogelijkheid zou zijn om ongemedieerd en volledig authentiek contact met elkaar te hebben. Verder negeren ze dat sociale objecten noodzakelijk zijn om onze wereld te stabiliseren, dat sociale objecten vaak de enige instrumenten zijn die we hebben om andere sociale objecten te beïnvloeden, en dat het niet mogelijk is om sociale objecten te creëren die hun ‘leden’ niet tot op zekere hoogte vervreemden.

Vervolgens stel ik voor dat we daarom afscheid moeten nemen van het valse onderscheid tussen ‘goede’ sociale objecten die ons niet van onszelf en elkaar vervreemden en ‘slechte’ objecten die dat wel zouden doen. We moeten ten eerste accepteren dat alle sociale objecten een eigen en onreduceerbaar karakter hebben dat in termen van ‘vermogens’ begrepen moet worden. Ten tweede is het hoog tijd om te begrijpen dat iedere praktische relatie tot welk sociaal object dan ook per definitie vervreemdend is.

Arjen Kleinherenbrink (1984) is filosoof aan de Radboud Universiteit en specialiseert zich in de metafysica en wijsgerige antropologie

Onderbepaling, Ontologie en Wetenschap

Fred Muller is bijzonder hoogleraar Wijsbegeerte der Exacte Natuurwetenschappen aan de Faculteit Wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit Rotterdam, en permanent gast-onderzoeker aan het Instituut voor Geschiedenis en Grondslagen der Natuurwetenschappen aan de Universiteit Utrecht

Why are facts ‚hard‘? Models for an atmospheric conception of reality

Typically, we characterize facts by using the metaphor of being ‘hard’. This has important implications, both for our metaphysics and for epistemology: The metaphor of facts’ being ‘hard’ suggests a picture of the world according to which the world consists of unchangeable, fixed entities that are conceived as a sort of atoms that, taken together, make up reality and, as facts, constitute our knowledge of reality. Arguments against an atomist epistemology have been raised prominently in the critical discussions levelled against the early versions of logical empiricism. In this paper, I would like to attack the apparently self-evident notion of facts as ‘hard’ in a different way: In the heydays of idealism and Romanticism, an emphatic notion of reality was developed according to which the model of reality did not derive from hard atoms, but from ‘atmospheric’ states – what is ultimately real, are not individual things, but states that provide a universal contexts for the individual objects that are embedded within and can only be identified within this universal context. These states are described, metaphorically but frequently also literally, in terms of adding a “fragrance”, a tone, an “atmosphere” to the individual items that are encompassed within an atmosphere. This notion is intimately linked to early hermeneutics, and is taken up by (neo-)phenomenological authors.

This talk will investigate the epistemological merits of an ‘atmospheric’ conception of reality, and will pay particular attention to the relevant metaphorical notions at the intersection between philosophy, phenomenology and poetry.

Paul Ziche is hoogleraar Geschiedenis van de nieuwere wijsbegeerte aan de Universiteit Utrecht

Traplezing: Making sense of Fiction

There is a reason why we take some every-day ontological practices for granted. It is for the same reason that people in Trafalgar Square cant see England. Pegasus fliesSherlock Holmes is intelligent and Apollo is not a rock-star”: all these things are conventionally accepted. The question is: how can we make sense of them? Or, to complicate the picture, consider Ajax liked daises or Reptilians exist. This only gets more puzzling; but why so?

The existence of fictional characters challenges our way of deciding whether a sentence is true or not. Different philosophical stories seem to run into different formal problems and vice versa. In short, during this talk we will discuss stories about stories and try to make sense of our ontological practices.

Matteo Ferrari and Yvette Oortwijn are students in the Master of Logic (MoL) at the University of Amsterdam